Prachtig vind ik dit eeuwenoude schilderij van Caravaggio. Wat een zeggingskracht. Zo plastisch verbeeld. Zo menselijk. Willen aanraken, willen voelen, willen weten. Of het echt is. Waar is. Dat wil Tomas, leerling van Jezus, zo graag als hij hoort dat Jezus is opgestaan uit de dood. Ik schreef er een verhaal over.

Klik hier om dit verhaal te downloaden of lees hieronder verder.
Caravaggio, De ongelovige Thomas, ca. 1600

Het zal allemaal wel waar zijn. Mooi verhaal is dat. Of eigenlijk vind ik het gewoon een raar verhaal. Mijn vrienden vertelden dat Jezus zich heeft laten zien. Hij kwam zomaar het huis binnen waar ze waren. Terwijl ze de deur goed op slot hadden gedaan, want ze waren bang. Hij had hun vrede gewenst. Ze waren er ondersteboven van, dat merkte ik aan alles.

Of het nu waar is of niet… ik heb geen zin in zo’n Halleluja-verhaal. Of, geen zin… Dat denk ik ook weer niet goed. Ik kan er gewoon niets mee. Niet nu. Ik vind het te opgeklopt. Ik kan er niet bij. Die blijdschap. Het gaat mij veel te snel. Ze lijken wel vergeten wat er nog geen week geleden is gebeurd. Jezus die aan een kruis hing. Tussen de misdadigers. Zware spijkers door zijn handen, zijn voeten. Grote dorst. Vernedering waar iedereen bij stond. Ik heb gezien hoe vreselijk veel pijn hij had. Doodging. Die afgrond… ik voel dat nog in mijn lijf. Ik heb er nog niet eens woorden voor kunnen vinden. En m’n vrienden stappen daar nu zomaar overheen. Doen net of dit allemaal niet gebeurd is. Om eerlijk te zijn: ik voel me teleurgesteld. En intens verdrietig. Boos. Die hele Jezus-missie is mislukt. En het allerergste is… ik voel mezelf ook mislukt. Want toen het er echt op aankwam, ben ik gevlucht. Heel diep vanbinnen wist ik: dit wil ik niet. Dit lijden. En ik liet Jezus in de steek. Wij allemaal trouwens, hoor. Maar waren wij nu zijn zogenaamde vrienden? En dan nu ineens blij? Alles weer koek en ei?

Dat zeg ik ook tegen mijn vrienden. Heel duidelijk: ‘Ik kan het niet geloven. Dit kan niet waar zijn.’

Nee, Tomas, echt… Geloof het nou… Natuurlijk willen ze me overhalen. Om het wél te geloven. En ik zie ook dat ze oprecht blij zijn. Maar eigenlijk irriteert hun blijdschap mij. Eerst dood en dan weer levend. Hoe kan dat nu? Die tegenstelling is gewoon te groot. Alsof Jezus dan toch niet echt dood is gegaan. Alsof het een wondertrucje is. Dood is toch gewoon dood? En als dat niet zo is, waarom moet het dan allemaal zo? Eerst al die verhalen over het Koninkrijk, al die genezingen, die wonderen? Om dan uiteindelijk uitgekotst te worden, dood te gaan en weer op te staan? Wat is de zin daarvan?

Ik ben in de war, geloof ik. Altijd al een denker geweest. Denken moet je aan paarden overlaten, zei mijn vader vroeger, die hebben grote koppen. Maar ja, ik ben nu eenmaal wie ik ben. Dus ik zeg tegen mijn vrienden: ‘Wat jullie geloven moeten jullie weten, maar ik geloof het niet.’ Nou ja… nu niet te zwart-wit, Tomas. Dus ik formuleer preciezer: ‘Ik geloof het alleen als ik zijn wonden zie en aan kan raken. Want het kan niet zo zijn dat alles wat Jezus heeft meegemaakt, al dat lijden, er nu ineens allemaal niet meer toe doet. Dat zou voor mij niet geloofwaardig zijn. Dan zou Jezus voor mij niet geloofwaardig zijn.’

Ik zie ze schrikken van mijn felheid. Ze vinden me een beetje raar, denk ik, snappen me niet. Maar ik blijf erbij. Of ben ik toch te veeleisend? Te ongelovig? Te weifelend?

*   *   *

Een week later ben ik samen met mijn vrienden. We hebben de deur weer dichtgedaan. Want nog steeds zijn we bang. Dan staat Jezus plotseling in ons midden en hij wenst ons vrede. Direct zie ik hem op mij af stappen. ‘Tomas’, zegt hij, ‘hier ben ik. Ik laat je mijn wonden zien. Kijk, mijn handen, en kijk hier eens, mijn zij. Raak mijn wonden aan. En wees niet langer ongelovig, maar geloof.’

Ik voel me overrompeld, verrast, gezien, beschaamd. Waar verdien ik dit aan?

En opeens weet ik dat het waar is. Een weten, dieper en groter dan het weten van mijn denken. Een weten van mijn hele wezen. Ik wil huilen en lachen tegelijk. ‘Mijn Heer, mijn God’, zeg ik. ‘Jij bent het echt! Jij leeft!’

Jij leeft!